Grondwater

Het grondwatersysteem van de Veluwe is een samenhangend systeem dat regionaal verschillende kenmerken heeft. Midden op de Veluwe zit het grondwater diep onder het maaiveld. Hier wordt het systeem gevoed met regenwater, dat erg langzaam omlaag stroomt waardoor de reactie van de grondwaterspiegel op neerslag ook lang duurt. Langs de randen van de Veluwe komt het water dichter aan de oppervlakte en wordt het grondwater dus sneller beïnvloed door neerslag. Bovendien is er de invloed van de toestroom vanuit het midden.

Grondwaterzones

Voor de beschrijving is het grondwatersysteem op de Veluwe opgedeeld in drie zones.

Hoge zone
Op de hogere delen van de Veluwe ligt het grondwaterpeil 1,5 meter tot meer dan 20 meter onder het maaiveld. Verandering van de grondwaterstand is niet merkbaar aan het maaiveld. De vegetatie is vooral afhankelijk van het regenwater en hangwater. Hangwater is het regenwater wat al in de bodem is geïnfiltreerd maar nog niet het grondwater heeft bereikt.


Overgangszone
In de overgangszone ligt de grondwaterstand in natte perioden tussen de 150 en 70 centimeter onder het maaiveld. Er zijn geen sloten aanwezig die het grondwater kunnen afvoeren. In deze zone kan incidenteel overlast optreden. In extreem droge periode kan de grondwaterstand verder uitzakken waardoor droogteschade kan optreden.


Lage zone
Deze zone heeft een lager maaiveld en daardoor relatief hogere grondwaterstanden. Het grondwaterpeil ligt hier minder dan 70 centimeter onder het maaiveld. In deze zone zijn wel sloten aanwezig die het grondwater kunnen afvoeren waardoor de grondwaterstand niet hoger komt. In de lage zone wordt dan ook vrijwel jaarrond water afgevoerd.

In figuur is een dwarsdoorsnede weergegeven waarin de grondwaterstanden ten opzichte van het maaiveld zijn weergegeven.

stuwwal-putten

Figuur: dwarsdoorsnede grondwatersysteem Veluwe

Figuur 1: ligging van de grondwaterfluctuatiezone (https://geoserver.prvgld.nl/)

In kaart is aangegeven waar de overgangszone zich bevind.

Grondwaterdeelgebieden

Het grondwatersysteem op de Veluwe is een samenhangend geheel waarbij deelgebieden* elkaar beïnvloeden. Er zijn wel verschillende deelgebieden te onderscheiden die elk hun eigen karakteristieken voor het grondwater laten zien. 

De 8 deelgebieden verschillen in ontstaanswijze en daarmee in de samenstelling van de ondergrond en zijn ingedeeld naar stroomgebied. De ontstaanswijze heeft effect op de typen beken, richting van de grondwaterstromen en snelheid waarmee het grondwater reageert op het weer. Een belangrijke reden voor de verschillen is de aanwezigheid van slecht doorlatende klei in de ondergrond die verder bestaat uit een goed doorlatend zandpakket. Aan de oostzijde van de Veluwe bevinden zich ‘kleischotten’ die slecht doordringbare lagen vormen waardoor aanvoer van water richting de randen sterk wordt beïnvloed. In het zuiden is ook klei aanwezig maar deze is veel meer onregelmatig verdeelt in de ondergrond.

(*Figuur 5 hieronder geeft de deelgebieden weer)

De volgende deelgebieden zijn te onderscheiden:

  • Oostflank Veluwe
  • Zuidflank Veluwe
  • Sandrvlakte (Zuidwest Veluwe met de Renkumse en Heelsumse beek)
  • Stuwwal Ede
  • Centraal Veluwe
  • Stuwwal Ermelo – Putten
  • Hierdense beek
  • Stuwwal Wezep – Nunspeet

Meer informatie over de verschillende deelgebieden en hun eigen karakter is te vinden in deel 2.


Figuur 5: indeling deelgebieden Veluwe

Grondwaterdynamiek

De dynamiek van de grondwaterstanden is niet overal op de Veluwe gelijk. Dat is zichtbaar in figuur 3.

In het centrale deel staat het grondwater diep onder het maaiveld (de grondwater dynamiek is weergegeven met de groen lijn). Doordat het lang duurt voordat regenwater dit grondwater bereikt is de dynamiek van het grondwater in het centrale deel van de Veluwe langjarig en vertraagd. Er kan over meerdere jaren een verschil van wel 4 meter in grondwaterstand voorkomen. Er is er geen duidelijke dynamiek per seizoen.

In de lage zone om de Veluwe staat het grondwater (rode lijn) dicht onder maaiveld. In dit deel zijn sloten en greppels aanwezig. Hier reageert het grondwaterpeil veel directer op neerslag en is er daarnaast mogelijkheid tot peilbeheer. De langjarige dynamiek is er in deze gebieden nauwelijks. De dynamiek per seizoen is echter goed zichtbaar en fluctueert binnen een jaar met circa 1 meter.
In de overgangszone is in het grondwaterpeil een combinatie van beide invloeden zichtbaar (gele en oranje lijn), zowel langjarige fluctuaties door de langjarig dynamische toevoer van kwel vanuit het midden, als directe reacties op regen en droogte. De jaarlijkse fluctuatie is 0,5 tot 1 meter. Over meerdere jaren kan de grondwaterstand met 2 tot 3 meter veranderen.

Figuur 4: Peilbuizen waarin de verschillende werking zichtbaar is